| Parlementair weerwoord |
| Het gaat er toch echt van komen. En natuurlijk zijn de meningen verdeeld, zoals dat gebruikelijk is in onderwijsland. De één vindt het sterk dat juist de PvdA met het voorstel komt, terwijl die partij toch een grote verantwoordelijkheid heeft in alle vernieuwingen die over het voortgezet onderwijs zijn uitgestort de afgelopen decennia. De ander vindt het mosterd na de maaltijd. We weten toch allang wat er mis ging? En we weten toch ook allang dat dit vooral komt doordat er zo weinig is geluisterd naar de professionals in het veld? En dat het dus logisch is dat dit veld zo aan het morren is geslagen? Alles staat eigenlijk al verwoord in het boek van Leo Prick (zie: recensies). Het maakt natuurlijk wel verschil of het een relatieve outsider is die genadeloos kritiek levert, of een politieke insider. Bovendien is het een signaal naar de professionals in het veld dat er wel degelijk geluisterd wordt naar alle geluiden. Een beetje laat misschien, dat wel, maar er gebeurt tenminste iets. Als we echter de motivatie van het PvdA-kamerlid Mariëtte Hamer lezen, dan lijkt het cynisme niet alleen in het veld maar ook bij de specialisten in de kamer te hebben toegeslagen. Waar vanuit het veld met cynisme naar de politiek en ‘Den Haag’ wordt gekeken, daar wordt door de onderwijsspecialisten binnen en buiten de kamer met evenveel cynisme teruggekeken. Het PvdA-kamerlid geeft namelijk als reden voor het onderzoek dat ze een einde wil maken aan de richtingloze kritiek die te pas en te onpas wordt gespuit: onderwijscritici lijken hun pijlen op van alles en nog wat te richten: op de PvdA, de lerarenopleidingen, het Nieuwe Leren, het management, de Tweede Fase, het VMBO. Wat is waar? Welke kritiek is gefundeerd? Het lijkt erop dat dit kamerlid de stroom van kritiek een beetje zat begint te worden en dat zij van de weeromstuit docenten vooral is gaan zien als een groep professionele azijnpissers. Ik kan me zo voorstellen dat dit kamerlid al vele malen voor zalen heeft gestaan vol leerkrachten die in hun woede en frustratie voor de sprekersmicrofoon over hun woorden struikelden. Als onderwijsspecialist voor de PvdA ben je logischerwijs een kop van jut bij zulke gelegenheden. Ik kan me ook voorstellen dat een kamerlid, vooral geconfronteerd met de kritiek, nu voor eens en voor altijd af wil zijn van de oeverloze discussie over ‘de stand van het onderwijs in Nederland’. Ik kan me tevens voorstellen dat zij behoefte heeft aan een degelijk en vuistdik rapport met duidelijke conclusies waar niemand om heen kan. Daar kan ze bij dergelijke bijeenkomsten op wijzen en daarmee kan ze wellicht óók een deel van de stroom van kritiek pareren. “Ja, dat zegt u nu wel, meneer/mevrouw de docent, maar in dit rapport staat het toch echt ánders.” Niet iedereen zal waarschijnlijk blij zijn met de resultaten van dit onderzoek, want de kans is aanwezig dat sommige kritiek genadeloos de kop in zal worden gedrukt. Niet alle onderwijsvernieuwingen zijn verschrikkelijk desastreus geweest voor het onderwijs: zo’n conclusie zou best eens in het rapport kunnen komen. Het rapport kan bovendien een veel genuanceerder beeld van de werkelijkheid weergeven dan veel onderwijscritici lief is. Daarmee wordt het onderzoek niet alleen een manier om tegemoet te komen aan de mensen in het veld die al jaren aan het mopperen zijn; het kan ook een weerwoord bieden wanneer deze kritiek naar de mening van de politici kant noch wal raakt. De kloof tussen ‘Den Haag’ en het veld wordt dan jammergenoeg niet kleiner. Nog steeds zullen beide partijen elkaar met argusogen bekijken. ![]() |
Download het artikel |
Download het artikel |
| Reageer / Aantal reacties: 0 |