| Siebelink en mislukte idealisten |
| Jan Siebelink, Laatste Schooldag (1994) ISBN 90-234-1972-3 |
Nu Siebelink zo’n succes heeft met het boek-waarvan-ik-de-titel-maar-niet-meer-zal-noemen, zou je bijna vergeten dat deze schrijver jarenlang zijn literaire ambities heeft gecombineerd met een baan voor de klas als docent Frans. Ik vermoed dat Siebelink daarbij veelvuldig heeft gefantaseerd over het neerleggen van zijn taken op school om zich geheel te kunnen wijden aan het schrijverschap. Dit vermoeden baseer ik onder meer op de manier waarop Siebelink het schoolleven beschrijft in zijn boek Laatste Schooldag. Er bestaat altijd het gevaar om fictieve verhalen van een schrijver te projecteren op zijn eigen leven, maar de verleiding is bij dit boek van Siebelink groot. De rode draad door de verhalen in deze bundel is een gevoel van benauwdheid, burgerlijke benepenheid, beklemming, isolement. De docenten ontberen structureel erkenning en waardering. Je kunt bijna niet anders dan medelijden voelen. De schoolmuren omheinen in de verhalen van Siebelink niet een veilig en gezellig middelbare schoolleven. Er lijkt eerder sprake te zijn van een arena, zoals we die kennen uit de klassieke oudheid, inclusief tragische helden die tot hun laatste snik vechten. Siebelink beschrijft het schoolgebouw waar de verhalen zich afspelen. Vaak wordt hierbij een pergola genoemd, die de verschillende vleugels van het schoolgebouw aan elkaar verbindt. Daar stromen docenten en leerlingen tussen de lesuren door en tijdens de pauzes samen. In dat arena zijn de docenten de gladiatoren die iedere dag weer dienen aan te treden. Ze gaan vervolgens vooral elkaar te lijf. Daarnaast vechten ze tegen onzichtbare tegenstanders zoals de ambtenaren op het verfoeide Ministerie. De toeschouwers zijn in dit geval de leerlingen, die de docenten langzaam ten onder zien gaan. Het draait in de Laatste Schooldag overigens helemaal niet om de leerlingen, welnee, zij zijn in de wereld die Siebelink schetst niet meer dan figuranten in het weinig verheffende schouwspel van konkelende, roddelende, elkaar wantrouwende collega’s en leidinggevenden. De docent komt naar voren als iemand die zich verloren voelt temidden van het geweld van de onderwijsvernieuwingen – fusie’s, functioneringsgesprekken - en daarop reageert door vluchtgedrag te vertonen. Niet langer in controle maar een willoos slachtoffer. Het is hem allemaal teveel geworden. Soms slaan de docenten door. Dan slaan ze een conrector knock-out, ze nemen ontslag, worden geschorst of komen ziek thuis te zitten. Het loopt zelden goed met ze af. Nu ken ik het overige werk van Siebelink niet, maar als ik de recensent van de Trouw mag geloven kan hij zo langzamerhand wel literair patent aanvragen voor het personage van de mislukte idealist (Trouw, 10 juni 1994). Na het lezen van dit boek kan ik me daar iets bij voorstellen. Het komt meer dan eens voor dat een docent door een leidinggevende verweten wordt zich terug te trekken, of er wordt beweerd dat hij te weinig betrokkenheid toont. Zoals de docent Frans - tevens schrijver - die een lokaal heeft bemachtigd in een uithoek van de school en zich in de rest van het gebouw niet meer laat zien, ook niet tijdens pauze’s wanneer hij geacht wordt naar de docentenkamer te komen om nieuwe collega’s te leren kennen. Niet alleen wordt hij aangesproken op zijn afwezigheid er worden ook – al dan niet door afgunst ingegeven – snerende en smalende opmerkingen gemaakt over zijn prestaties op literair gebied. Siebelink heeft zijn visie op het onderwijs verwoord in een artikel voor de Trouw op 4 januari 2003 naar aanleiding van zijn afscheid als docent. Opvallend is de beschrijving die Siebelink daarin geeft van de vele veranderingen die hij heeft meegemaakt. Vooral de manier waarop hij verhaalt over ‘bebaarde agogen en andragogen’ die in met kleurige lappen gestikte spijkerpakken komen praten over ‘een brok rebelsheid’ is hilarisch. In enkele treffende bewoordingen geeft Siebelink aan hoe ingrijpend de cultuur op school veranderde in die jaren. Treffend is ook wat Siebelink schrijft over de effecten die de vele veranderingen en vernieuwingen hadden op de docenten. Ze werden ‘murw en apathisch’. Volgens Siebelink verloren veel docenten de liefde voor hun vak. ‘Houd ik nog van mijn vak? Nee, ik verdraag het’, zo vat Siebelink dit gevoel samen. Ook in dit artikel schetst de schrijver dus een redelijk treurig en tragisch beeld van docenten. Veel docenten van zijn leeftijd zullen dit misschien herkennen en zich er in kunnen vinden. De conclusies die Siebelink trekt over deze jaren vallen zeer goed samen met de conclusies die Leo Prick eveneens heeft getrokken. Siebelink is een zwaarmoedige schrijver in de zin dat je van hem geen opgewekte verhalen hoeft te verwachten. Dat hij docenten dan ook als mislukte idealisten neerzet, zegt uiteraard iets over zijn perceptie en invalshoek. Maar ergens zie ik er ook iets van de tragiek van het onderwijs in terug, maar vooral dan de tragiek van de oudere docenten. |