| Samenwerking |
Iedere aanstaande en beginnende docent heeft te maken met beoordelingen: door stage begeleiders, collega’s, leidinggevenden. Ook in je latere loopbaan zal je functioneren regelmatig besproken worden. Maar wanneer ben je nu eigenlijk een goede docent? |
| In mijn sollicitatiebrieven schreef ik standaard dat ik als jonge docent doordrongen ben geraakt van het besef dat goede samenwerking, zowel binnen als buiten de eigen vaksectie, onontbeerlijk is in het onderwijs. Het fenomeen samenwerking komt nadrukkelijk aan de orde in het competentiemodel dat is ontwikkeld om beoordelingscriteria te formuleren die vervolgens gebruikt kunnen worden bij het creëren van een integraal personeelsbeleid. Dit alles heeft als doel het vak van docent binnen het voortgezet onderwijs in hogere mate te professionaliseren. Als voorwaarde is daarbij echter ook gesteld dat schoolleidingen zich eveneens dienen te professionaliseren. Ik citeer: “De docent werkt actief mee aan het versterken van de samenwerking binnen de onderwijsinstelling en tussen onderwijsinstellingen onderling. De docent participeert op constructieve wijze in bestaande overlegvormen binnen de onderwijsinstelling” . Er wordt dus duidelijk aangestuurd op ontwikkeling van professioneel gedrag, bij alle betrokken partijen. Schooldirecties vinden het geweldig wanneer je als sollicitant duidelijk aangeeft aan samenwerking te willen doen; het kan zelfs reden zijn om je aan te nemen. Waarom? Omdat samenwerking op vele scholen en bij veel docenten een heikel punt is, zo is mij duidelijk geworden. In dit licht bezien is het begrijpelijk dat veel directies gecharmeerd zijn van een jonge hond die het allemaal (nog?) fantastisch vindt. De praktijk is weerbarstiger dan je als beginneling kunt vermoeden. Ik heb nu drie verschillende vaksecties meegemaakt en vergelijkbare problemen kwamen daarbij naar voren. Daarnaast blijken ook bij andere samenwerkingsverbanden op school, zoals de leerjaarteams, zich knelpunten voor te doen. Bij raadpleging van de literatuur stuitte ik op het boekje Sectie op scherp (Verhulst 1994) waarin een goede heldere uitleg wordt gegeven over het functioneren van de vaksecties. Waar over vaksecties wordt geschreven kan overigens even gemakkelijk over jaarleerteams gesproken worden, omdat zich in die samenwerkingsverbanden vergelijkbare obstakels kunnen voorkomen. Verhulst onderscheidt een viertal typen secties, die zich ieder in een ander stadium van ontwikkeling bevinden: de vrijblijvende sectie, de embryonale sectie, de collegiale sectie en de professionele sectie. De verschillen tussen deze typen dienen te worden gezocht in het niveau van de samenwerking tussen de sectieleden en tussen de sectie en de schoolleiding, en tevens in de vraag of de sectie vooral ad hoc en pragmatisch te werk gaat óf in hoge mate initiërend werkt en vooruitkijkt. Kenmerkend voor de professionele sectie in vergelijking met een vrijblijvende of embryonale sectie is onder meer dat zij een substantieel aandeel heeft in beleidsontwikkeling op de school. Bij de ontwikkeling van de vaksecties en hun dagelijks functioneren kunnen zich blokkades voordoen. Vanuit mijn eigen ervaring kan ik die als volgt omschrijven. Is het interne schoolklimaat gericht op autonomie dan ligt het voor de hand dat samenwerking door docenten gezien wordt als een van boven opgelegd en afgedwongen verschijnsel. Werken leraren graag individualistisch, dan zal het worden beleefd als een aanslag op de individuele stijl wanneer compromissen gesloten dienen te worden om samenwerking te bevorderen. Vastgeroeste gewoonten en patronen worden daarbij moeilijk doorbroken. Voor het goed functioneren van een sectie, waarbij wordt gestreefd naar verdere ontwikkeling en professionalisering, is het essentieel dat sectieleden de veranderingen ondersteunen en verantwoordelijkheid willen nemen. Indien dit niet het geval is, dan zal de sectie waarschijnlijk blijven hangen in de embryonale of collegiale fase. Volgens Verhulst is hier een taak weggelegd voor de schoolleiding. Ik sluit mij geheel bij zijn standpunt aan. Bij de aansturing van de sectie dient de schoolleiding aansluiting te vinden bij de vermogens van de sectie. De sectie dient de capaciteiten te kunnen verkrijgen om de wensen en de aanwijzingen van de schoolleiding daadwerkelijk te kunnen uitvoeren. Directe communicatie tussen schoolleiding en sectie is daarbij een essentieel middel. Voorkomen moet worden dat de ene partij de wil oplegt met veronachtzaming van eventuele blokkades bij de andere partij. De dialoog tussen leiding en sectie dient het karakter te hebben van een ontmoeting met de bedoeling om te begrijpen wat de ander beweegt en niet van een confrontatie, die vooral verantwoording van standpunten, praktijken of resultaten verlangt. Het zal wellicht weinig lezers verwonderen wanneer ik concludeer dat de meeste secties waarin ik tot nu toe heb gewerkt nu juist waren blijven steken in die embryonale fase. Het idee dat een sectie zich min of meer vanzelf verder ontwikkelt naar een volgende fase is een te rooskleurig gegeven, zoals ook Verhulst aangeeft. Sommige directies lijken echter wel te wachten op een dergelijk wonder. Maar eigenlijk weten zij, net als ik nu, dat veel secties die zich in de embryonale fase bevinden daar zitten omdat ze niet anders willen: omdat de docenten individualistisch ingesteld zijn, hun eigen gang willen gaan en het gevoel hebben: als ik te veel ingeef, word ik een marionet van de sectievoorzitter en de schoolleiding. Als je daar als nieuwe docent tussen komt, moet je sterk in je schoenen staan om je enthousiasme te handhaven. Het valt niet mee om een vastgeroest status quo te doorbreken en het wordt je zelden in dank afgenomen door de betrokken docenten. Sluipenderwijs kun je zelfs, als je even niet oppast, meegezogen worden in conflicten die al tien jaar of langer spelen maar nauwelijks openlijk worden uitgevochten en waar iedereen zich bij lijkt te hebben neergelegd. ‘Zo is ie nu eenmaal’. ‘Nee, onze sectie functioneert niet, maar dat is al jaren zo’. Ondertussen wordt tussen de bedrijven door wel over elkaar geklaagd en geroddeld. Daar kun je je als beginneling behoorlijk ongemakkelijk bij voelen. Van een collega begreep ik dat het in haar sectie zodanig ‘rommelt’ dat er geen vergaderingen meer worden gehouden. Nadat zij dit enige tijd met lede ogen heeft aangezien, koos zij voor de volgende onbevredigende aanpak. Ze heeft zich voorgenomen zich op de vlakte te houden en zich niet te mengen in de conflicten. Natuurlijk zou ze het liefst zien dat er goed overlegd wordt, maar ze voelt zich niet geroepen om te proberen de boel te veranderen. Zij geeft aan dat dit misschien een wat slappe houding is. Ze zegt daar over: “Ik wil me gewoon niet in zo’n wespennest steken. Ik probeer m’n eigen lessen zo goed mogelijk te geven, verder niet.” Kun je haar dit kwalijk nemen? Is het vreemd dat zij zich terugtrekt in haar eigen klaslokaal, precies zoals het volgens het competentiemodel niet zou moeten? Het is de professionele taak van docenten zich constructief op te stellen in samenwerkingsverbanden en het is de professionele taak van directies erop toe te zien dat dit daadwerkelijk gebeurt. Makkelijker gezegd dan gedaan? Dat denk ik wel. ![]() |
| Vorige afleveringen |
| Orde en regelmaat |
| Samenwerking |
| Eerste indruk |